NL 001 Pien Okkio

Oorspronkelijke titel: Le avventure di Pinocchio

Herkomst: Italië

Verteltijd: ca. 33 min

Leeftijd: vanaf 8 jaar

 

Het kind werd Pien genoemd maar eigenlijk heet ze Josefien. De familie heet ook niet Okkio, maar gewoon De Vries.

Vanaf het moment dat het meisje voor het eerst bewust de wereld inkeek, wisten de ouders, Henk en Inge, dat dit kind heel anders zou zijn dan haar broertje Flip. Uh, ja inderdaad, die jongen heet eigenlijk Philip.

Henk merkte het als eerste. Het zal die speciale band tussen vader en dochter wel geweest zijn, die speciale antenne die vaders met hun vrouwelijke telgen lijken te hebben, of moeders met hun zonen. 
Hij zat met haar op schoot en keek vol liefde en trots naar het moois dat hij had helpen scheppen. Hij verslikte zich.
-Nou ja, Inge, moet je horen, ze gaf me een dikke knipoog en een grijns. Je had moeten zien hoe ze naar me keek. Zo ondeugend!
-Zal wel gas zijn geweest, zei de praktische moeder.
Toen dacht ze dat nog.

In de maanden die volgden werd moeder Inge ook wijzer. Dat hummeltje bleek vol streken. Kreeg ze de fles, dan lag ze als een blonde engel heel tevreden met de speen in haar mond. De fles werd niet leger. Inge probeerde de speen uit haar mond te trekken, maar de benige kaakjes hadden het latex zuigstuk zo stevig vast dat er geen druppel uit kon. Ze lag zo lekker op die schoot, vandaar.
-Pien?! 
Los kwam de speen en Inge zag de oogjes twinkelen. 
-Een boefje ben je, zei Inge, je wordt later vast toneelspeelster.
Een dikke knipoog was haar antwoord.

Piens liefste speeltje was Flip. Samen op de grond op een dikke deken, spelen met autootjes, blokken en poppetjes. Flip was 4 jaar, Pien 5 maanden. Alles wat Flip opbouwde of neerzette werd met een flikte trap van mollige beentjes overhoop geschopt. Alle speeltjes vlogen door de kamer en onder de kasten.
-Mam, ik wil niet meer met haar spelen. Ze schopt alles kapot. Ik denk dat ze voetballer zal worden wanneer ze groot is.
Pien lachte breed naar hem.

Voor zijn vijfde verjaardag kreeg Flip een puppy. Pien was nu een jaar oud en Flip was niet langer haar favoriet. Dat werd het hondje. Hij noemde het Noortje. Pien noemde hem 'Oortje' , want ze was vroeg met praten.
Het werd dolle pret in Huize De Vries. Puppy en meisje rollebollend over de vloer, Noortje piepend en keffend en Pien luid kraaiend. Boem! Daar ging een tafeltje om. De vaas bloemen die erop stond kapot op de vloer. Pien zat midden in de plas water en begon hard te huilen.
-Pien toch. Heb je pijn? Wie heeft dat gedaan?
-Oortje 'edaan.
-Foei Noortje, zei moeder Inge boos.
Pien gaf haar een brede glimlach.

Er ging van alles kapot. De krant werd verscheurd, bloempotten vielen van vensterbanken en moeder Inge kocht allang geen bloemen meer. Iedere keer kreeg het hondje de schuld: Oortje 'edaan mama. Flip was daar niet blij om.
-Mam, Noortje maak niet alles kapot hoor, Pien doet dat ook en ze jokt er steeds over.
De moeder woelde met haar hand door zijn krullen.
-Ja Flip, dat begreep ik na een tijdje ook. Ze moet nog veel leren.

Vader Henk zat op de rand van Flip's bed. Hij had een boekje in zijn hand.
Flio zag het plaatje en moest hard lachen.
-Wat een gek mannetje is dat en wat heeft-ie een lange neus.
Vader Henk vertelde hem van de speelgoedmaker die die pop had gemaakt omdat hij zo graag een zoontje wilde en dat een fee de pop levend toverde. Hij werd Pinokkio genoemd
-Maar die lange neus dan?
-Iedere keer wanneer hij jokte groeide er een stuk aan zijn neus.
De vader opende het boekje en begon te lezen. Flip lag doodstil in bed met zijn ogen dicht en een frons op zijn voorhoofd. De vader keer op.
-Vind je het geen mooi verhaal Flip?
-Uh, ja, maar papa, heten wij eigenlijk Okkio?
-Okkio? Wij heten De Vries. Jij bent Philip De Vries.
-Pien ook?
-Ja, onze Pien is Josefien De Vries.
-Ik wil nu gaan slapen pap.

De volgende morgen bij het ontbijt kijk Flip steeds naar Pien. Ze zat met een tevreden gezicht een boterham met hagelslag op te peuzelen. Flip at niet.
-Eet je boterham Flip, je moet zo naar school. Voel je je niet goed soms?
-Ik heb naar gedroomd en ik heb geen honger.
Ook 's middags en 's avonds had Flip geen honger. Hij bleef naar Pien kijken. Hij zag een beekje bleek. 
Die avond kwam vader Henk met het boekje op Flip's bed zitten.
-Ik wil geen verhaaltje pap.
-Maar Pinokkio is een mooi verhaal Flip, daar kunnen kinderen nog wat van leren.
-IK WIL GEEN VERHAALTJE, riep Flip en begon te huilen.
Vader Henk trok zijn zoon op schoot.
-Vertel me dan maar eens wat er aan de hand is jongen.
-Het is Pien, zij is Pien Okkio want ze jokt altijd en ik w-w-wil g-g-geen z-z-usje m-m-met een l-l-lange n-n-neus.
-Flip, lieve jongen, Pinokkio is een verhaaltje. Dat is niet echt gebeurd. In verhaaltjes kan je alles zo schrijven alsóf het echt is. Pien jokt vaak ja, maar haar neusje zal er heus niet lang door worden.
-Eérlijk pap?
-Eerlijk jongen.
-Ga jij Pien dit verhaaltje voorlezen wanneer ze groter is?
-Ik denk het wel Flip.
-Ja hè, daar kan ze veel van leren. Dat ze niet zo moet jokken omdat ze anders een lange neus krijgt.

Flip sliep die nacht heerlijk. Bij het ontbijt keek hij even naar Pien, die naar hem lachte en haar vier nieuwe tandjes liet zien. Flip gaf haar een dikke knipoog en at drie boterham men.

 


NL 002 De haas en de schildpad

 

Herkomst: Italië

Verteltijd: ca. 3 min

Leeftijd: vanaf 6 jaar


De haas moest altijd lachen wanneer hij de schildpad zag lopen, want het ging zo langzaam. "Ik begrijp niet waarom jij nooit naar iets onderweg gaat," zij hij pesterig. "Als jij eindelijk aankomt, is het altijd te laat en alles is al lang voorbij."

De schildpad lachte een beetje. "Vlug ben ik niet," zei hij, "maar toch durf ik te wedden, dat ik eerder aan de overkant van dit veld ben dan jij. Zullen we een wedstrijd houden? Dan kun je het zien."

"Goed!" riep de haas en meteen sprong hij er vandoor, zo snel als hij kon. De schildpad ging heel rustig op weg.

Nu was het die dag erg warm weer met een brandende zon, en de haas werd halverwege moe en slaperig. "Weet je wat," dacht hij. "Ik doe even een tukje onder die heg hier. Zelfs als die schildpad me onderwijl voorbij loopt, heb ik hem in een flits weer ingehaald." De haas ging in de schaduw liggen en sliep in.

De schildpad kroop gestaag voort onder de warme zon.

Pas na lange tijd werd de haas wakker. Het was veel later dan hij dacht en hij keek eens rond. Geen schildpad te bekennen. "Nou nou," mompelde hij, "waar zit dat vriendje? Wacht maar, ik zal hem eens wat laten zien."

Als een pijl uit een boog schoot hij weg, door het korte gras, door het koren, over sloten, langs braamstruiken, en bij de laatste bocht bleef hij even staan om te zien waar de eindstreep lag. Daar! En nog geen halve meter ervoor kroop de schildpad, langzaam maar zeker, stap voor stap, dichter en dichter naar het eindpunt.

Met een geweldige sprong stoof de haas erop af. Maar hij was te laat. Toen hij de lijn passeerde, was de schildpad hem juist voor geweest.

"Zie je nou wel," zei de schildpad.

Maar de haas had geen adem meer om te kunnen antwoorden.

 


NL 003 Roodkapje 


 


Oorspronkelijke titel: Rotkäppchen 


Herkomst: Duitsland


Verteltijd: ca. 11 min.


Leeftijd: vanaf 6 jaar


 


Er was eens een lief klein meisje; iedereen die haar zag hield veel van haar, maar haar grootmoeder wel het allermeest, en die wist eenvoudig niet, wat ze het kind allemaal zou willen geven. Op een keer gaf ze haar een rood fluwelen mutsje, en omdat het haar zo goed stond en ze nooit meer iets anders droeg, werd ze voortaan enkel maar Roodkapje genoemd. Op een dag zei haar moeder: "Kom, Roodkapje, hier heb je een stuk koek en een fles wijn, breng dat eens naar je grootmoeder. Ze is zwak en ziek en het zal haar goed doen. Ga er heen voor het te warm wordt, en als je het dorp uit bent, loop dan netjes en ga niet van het pad af, want anders val je nog en breekt de fles, en dan heeft grootmoeder niets. En als je bij haar binnen komt, niet vergeten dadelijk goedendag te zeggen en niet eerst overal rondsnuffelen."

"Ik zal goed oppassen," zei Roodkapje tegen haar moeder en ze gaf er haar de hand op. Grootmoeder woonde buiten in het bos, een half uur van het dorp vandaan. Toen Roodkapje in het bos was gekomen, kwam ze de wolf tegen. Maar Roodkapje wist niet dat het een gevaarlijk dier was en bang was ze al helemaal niet.

"Goedemorgen, Roodkapje," zei hij.

"Dag, Wolf."

"En waar ga je zo vroeg naar toe, Roodkapje?"

"Naar grootmoeder, Wolf."

"En wat heb je daar onder je schortje?"

"Koek en wijn. We hebben gisteren gebakken en grootmoeder is wat zwak en ziek en hiermee kan ze wat op krachten komen."

"Zeg Roodkapje, waar woont je grootmoeder dan?"

"Nog ruim een kwartier lopen verder het bos in, onder de drie grote eiken staat haar huisje, en beneden is een notenhaag, je kent het vast wel," zei Roodkapje.

De wolf dacht bij zichzelf: "Dat jonge malse ding is een heerlijk hapje, dat zal nog beter smaken dan die oude vrouw; als je slim te werk gaat, kan je ze allebei pakken."

Hij bleef nog een poosje naast Roodkapje meelopen, en zei: "Kijk, Roodkapje, wat een mooie bloemen overal, waarom kijk je niet wat om je heen? En heb je wel in gaten hoe heerlijk de vogels zingen? Jij loopt maar recht toe recht aan alsof je snel naar school moet en dat terwijl het hier vandaag zo verrukkelijk is."

Roodkapje keek eens rond en toen ze zag hoe de zonnestralen door de bomen dansten en hoeveel mooie bloemen er overal stonden, dacht ze: "Als ik voor grootmoeder een mooi boeketje meebreng zal ze dat heerlijk vinden; het is nog zo vroeg, dat ik toch wel op tijd kom."

En ze ging van het pad af tussen de bomen om bloemen te plukken. En telkens als ze er één geplukt had, dacht ze dat er verderop nog een mooiere stond en zo raakte ze steeds dieper het bos in.

Maar de wolf ging recht toe recht aan naar het huis van grootmoeder en klopte aan de deur: "Wie is daar?"

"Roodkapje, met een koek en met wijn, doe de deur maar open!"

"Druk maar op de klink," riep grootmoeder, "ik ben te zwak en kan niet opstaan."

De wolf drukte op de klink, de deur sprong open, en zonder één woord te zeggen sprong hij naar het bed en at de grootmoeder op. Toen trok hij haar kleren aan, zette haar nachtmuts op, ging in haar bed liggen en trok de gordijnen dicht.

Roodkapje had ondertussen een heleboel bloemen geplukt en toen ze er geen één meer kon dragen, dacht ze weer aan grootmoeder en ging ze op weg naar haar toe. Ze was verbaasd dat de deur openstond en toen ze de kamer binnenkwam, vond ze het er zo vreemd dat ze dacht: "Wat vind ik het hier griezelig vandaag, terwijl ik hier anders zo graag ben." Ze riep: "Goedemorgen," maar er kwam geen antwoord. Toen liep ze naar het bed en schoof de gordijnen opzij. Daar lag grootmoeder met haar muts over haar gezicht en ze zag er erg vreemd uit.

"O grootmoeder, wat heb je grote oren!"

"Dat is om je beter te kunnen horen."

"Maar grootmoeder, wat heb je grote ogen!"

"Dat is om je beter te kunnen zien."

"Maar grootmoeder, wat heb je grote handen!"

"Dat is om je beter te kunnen pakken."

"Maar grootmoeder, wat heb je een verschrikkelijk grote bek!"

"Dat is om je beter op te kunnen vreten."

En nauwelijks had de wolf dat gezegd of hij sprong uit bed en verslond het arme Roodkapje in één hap. Toen de wolf zo zijn honger gestild had ging hij weer heerlijk in het bed liggen, sliep in en begon heel hard te snurken. Toen kwam net de jager voorbij en die dacht: "Wat snurkt dat oude mens hard, ik zal eens kijken of haar wat mankeert." Hij kwam in de kamer en toen hij voor het bed stond zag hij dat de wolf erin lag. "Vind ik je hier, ouwe boosdoener," zei hij, "ik heb lang naar je gezocht." Hij wilde net gaan schieten, maar toen hij zijn geweer richtte bedacht hij zich ineens dat de wolf de oude vrouw misschien had opgegeten en dat ze misschien nog te redden was. Hij schoot niet maar begon met een schaar de buik van de slapende wolf open te knippen. Na een paar knippen zag hij een rood kapje glimmen en na nog een paar knippen sprong het meisje eruit en riep: "O, wat ben ik bang geweest, wat was het donker in de buik van de wolf!"

En toen kwam de oude grootmoeder ook nog levend tevoorschijn, al kon ze haast niet ademen. Roodkapje haalde snel een paar grote stenen die ze in de buik van de wolf stopten en toen hij wakker werd, wilde hij wegspringen, maar de stenen waren zo zwaar dat hij onmiddellijk viel en dood was.

Nu waren ze alle drie blij. De jager stroopte de pels van de wolf af en trok daarmee naar huis, de grootmoeder at de koek en dronk van de wijn, die Roodkapje had meegebracht, en die maakte haar beter. Maar Roodkapje dacht: "Zolang ik leef, zal ik nooit meer alleen van het pad afgaan en het bos inlopen, wanneer mijn moeder dat verboden heeft."

De mensen vertellen dat op een keer, toen Roodkapje de oude grootmoeder weer koek en gebak ging brengen, er een andere wolf kwam, die haar aansprak en weg wilde lokken. Maar Roodkapje paste wel op en liep gewoon verder en vertelde aan grootmoeder dat ze de wolf was tegengekomen, die haar wel goedendag had gezegd, maar zo kwaadaardig uit zijn ogen had gekeken: "Als het niet op de grote weg was geweest, had hij me vast opgegeten!"

"Kom," zei grootmoeder, "we zullen de deur op slot doen, zodat hij er niet in kan."

Kort daarop klopte de wolf aan en zei: "Doe open, grootmoeder, ik ben het, Roodkapje, ik breng gebak voor je mee."

Maar zij hielden zich stil en maakten de deur niet open. Toen sloop de Grijskop een paar maal rond het huis, sprong eindelijk op het dak om te wachten tot Roodkapje 's avonds naar huis zou gaan. Dan zou hij haar achterna sluipen en in het donker opeten. Maar de grootmoeder merkte wat hij van plan was. Nu stond er voor het huis een grote stenen trog en ze zei tegen het kind: "Neem de emmer, Roodkapje, gisteren heb ik worsten gekookt, gooi jij dat worstennat in de trog."

Roodkapje droeg zo veel tot die hele grote trog vol was. De geur van de worst kreeg de wolf in de neus, hij snuffelde en keek omlaag, en tenslotte rekte hij zijn hals zo ver uit dat hij zijn evenwicht verloor en begon te glijden, en hij gleed van het dak af precies de trog in en verdronk. Roodkapje ging vrolijk naar huis en bleef ongedeerd.

 

NL 004 De Vliegende Hollander

 


Herkomst: Nederland
Verteltijd: ca. 23 min.
Leeftijd: vanaf 9 jaar


Wild joeg de storm landinwaarts. De zee rolde schuimend op de kade af en beukte tegen de bakboordzijde van het enige schip dat er gemeerd lag - een zwaarbeladen vrachtvaarder met bestemming Oost-Indië.

Zó gruwelijk was het weer, dat geen van de bemanningsleden zich aan dek waagde. Alleen de kapitein, een grote, vierkante kerel met stalen zenuwen en een ruwe inborst, stond somber op de voorplecht. Hij keek met bliksemende ogen naar de opgezweepte golven, die hem beletten het vertreksein te geven. Door allerlei tegenslagen had hij de afvaart al enkele dagen moeten uitstellen en nu dwarsboomde die ellendige storm hem in zijn plannen zo gauw mogelijk met zijn kostbare lading zee te kiezen. Met gebalde vuisten stond hij daar op de voorplecht en vloekte. Wie of wat waagde het hém, de meest onbevreesde en dapperste schipper ter wereld, te dwarsbomen? Had hij zijn schip niet door de ruwste stormen gelaveerd langs verraderlijke klippen en zandbanken? Was hij niet sneller dan alle andere schepen van de Compagnie naar de Oost gevaren? Had hij niet tientallen malen bewezen dat geen zee hem te hoog was en geen storm te woest? Hij hield van de gevaren die bij het zeemansleven hoorden en hij was ertegen opgewassen.

Zijn mannen voelden zich volkomen veilig onder zijn leiding en voerden zijn bevelen prompt uit. Zonder te morren en zonder vragen te stellen. Ze wisten dat ze op zijn beslissingen konden bouwen en ze vonden het niet erg dat hij als een bullebak tekeerging om zijn doel te bereiken. Tenslotte was de kapitein de baas aan boord en hij had hen door de hachelijkste avonturen altijd weer veilig thuisgebracht. Ja, de bemanning van de Oost-Indiëvaarder had ontzag voor de schipper en ging voor hem door het vuur. Al was hij nog zo eigenwijs en driftig.

Maar nu maakte hij het toch werkelijk een beetje te bont. Terwijl de storm in het want huilde en de schuimende golven tegen de boeg beukten, verscheen hij grommend tussendeks en deelde op luide toon mee: "Weer of geen weer, morgenochtend om zes uur varen we uit!"

De gesprekken van de matrozen verstomden en geen van de kaartende mannen durfde te zeggen wat hij dacht. Maar toen de bootsman zijn keel schraapte, knikte iedereen opgelucht. "Bezwaren, boots?" vroeg de schipper dreigend. "Het is morgen eerste paasdag, kapitein," antwoordde de bootsman. De matrozen vielen hem dankbaar bij. "Zo is het, kapitein!" riepen ze. En: "Daar zegt de boots een waar woord!" Want het was een heilige wet, dat een schip op eerste paasdag niet mocht uitvaren!

De kapitein balde zijn vuist en liet hem krachtig neerkomen op de kaarttafel van zijn matrozen. "Niks mee te maken!" bulderde hij. "Eerste Paasdag of geen eerste Paasdag en storm of geen storm, ik vaar uit wanneer ik wil. Zorg dat morgenochtend vroeg alles klaar is voor vertrek en daarmee basta!" En hij begaf zich briesend naar zijn hut, waar ze hem urenlang hoorden vloeken boven het gebulder van de golven uit.

Nog heviger en wilder dan de afgelopen dagen joeg de storm de volgende morgen op de kust aan. Hoger dan ooit striemden de golven de wanden van het schip, dat veilig langs de kade gemeerd lag. Zwarte wolken hielden de duisternis boven de haven vast. Maar tóch schalde de stem van de roekeloze kapitein over het dek: "Zeilen hijsen! Ankers lichten! We vertrekken!" Het klonk bijna juichend. Alsof het stoere bevel de storm kon doen luwen. De stuurman waagde een voorzichtig protest: " Kapitein," zei hij, "het is vandaag eerste paasdag en de mannen hebben er eigenlijk bezwaar tegen om op zo'n hoogtijdag uit te varen." Maar de kapitein lachte hem uit. "Ik ben de baas!" donderde hij. "En ik zeg dat we het anker lichten. Storm of geen storm, Pasen of geen Pasen!"

De matrozen vlogen joelend de touwen in. Hun schipper was een moedig man en als hij het verantwoord vond uit te varen, wás het verantwoord. Wat drommel! Had hij hen niet over de wildste zeeën gevoerd en langs de gevaarlijkste kapen? Was hij niet de moedigste en knapste schipper ter wereld? Ze hesen de zeilen en hun overmoedige kreten overstemden het geweld van de storm. Maar terwijl ze gehoorzaam het bevel van hun schipper opvolgden en tegen beter weten in het schip reisvaardig maakten, klonk boven het orkaantumult uit het gebeier van de Paasklokken. "Het is Pasen, kapitein," probeerde de stuurman nog eens voorzichtig. De schipper vloekte krachtig. "Wat nou Pasen?" brieste hij. "Ik heb gezegd dat we uitvaren en dus varen we uit! Al zou ik tot in eeuwigheid moeten doorvaren, we gáán!" De matrozen waren er even stil van, maar werkten toch snel door.

De kapitein van een nabij gemeerde vrachtboot kwam naar de reling en riep door zijn scheepstoeter: "Wat krijgen we nou? Varen jullie uit?" De trotse schipper lachte honend. "En waarom niet?" schreeuwde hij terug. "Man, je bent gek! Daar komen brokken van. Het is Pasen en bovendien kun je zo'n vreselijke storm nog geen mijl trotseren!" - "Dat zullen we dan nog wel eens zien," antwoordde de zelfverzekerde schipper. "In ieder geval varen we uit!" Hij gaf opdracht alle zeilen bij te zetten en toen de grote, witte doeken onheilspellend in de wind klapperden, beval hij de ankers te lichten.

De bemanning was diep onder de indruk. Hun schipper was een kerel uit één stuk, een durfal! Wat had hij ook alweer gezegd? "Al zou ik tot in de eeuwigheid moeten doorvaren, we gaan!" Haastig legden ze de laatste hand aan de werkzaamheden, terwijl de kapitein ongeduldig op het dek heen en weer stampte. De bootsman zocht hem op om te melden dat alles in gereedheid was voor het vertrek. In de verte beierden de Paasklokken.

"Uw bevelen zijn uitgevoerd, kapitein," zei de bootsman. De schipper stond nu doodstil op de voorplecht. Zijn ogen hadden een starre uitdrukking; zijn handen hingen slap langs zijn lichaam. Het was alsof alle leven uit hem geweken was. Ook de bootsman leek plotseling als aan het dek genageld en verroerde zich niet meer. En de matrozen in het want en op de dekken verstomden en bewogen niet meer. De kok stond roerloos achter het fornuis in de kombuis. De scheepsjongen verstijfde halverwege een buiteling op het tussendek. Alle mannen aan boord van de Oost-Indiëvaarder hingen of stonden of zaten sprakeloos en doodstil op de plaats die ze hadden ingenomen.

Maar het schip kwam schokkend in beweging! Terwijl de bemanning als een verzameling standbeelden over het boven- en benedendek verdeeld was, bolden de zeilen zich vanzelf tegen de wind in. En zonder dat iemand iets deed, wendde het schip zijn steven en joeg de haven uit.

Op de kade verzamelde zich een menigte nieuwsgierigen, die met stomme verbazing naar de wegrazende Oost-Indiëvaarder staarden. Ze konden hun ogen niet geloven. In het want, langs de reling en op het dek stonden de matrozen, de bootsman en de kapitein roerloos. Niemand van de opvarenden bewoog en toch schoot het schip over de golven, recht tegen de wind in! Wie had zo iets ooit meegemaakt? Een schip dat tegen de hevigste storm in vertrok... een schip waarvan de bemanning werkeloos toekeek... een schip dat de haven uitliep terwijl de Paasklokken luidden... De woorden van de overmoedige kapitein gingen van mond tot mond. "Al zou ik tot in eeuwigheid moeten doorvaren, we gáán!"

Er ging een huivering door de mensen op de kade. Zo'n overmoedige uitdaging schreeuwde gewoon om straf! En alsof de vrees van de toeschouwers onmiddellijk werd omgezet in een zichtbare waarschuwing, gebeurde er iets merkwaardigs. De lucht boven het vertrekkende schip was grauw bewolkt en nergens was ook maar een straaltje zon te zien. Maar tóch lichtten de zeilen op als vurige vanen. En hoewel geen rooksliert wees op een plotselinge brand aan boord veranderde de witgeschilderde scheepsromp in een zwartgeblakerd karkas.

De mensen op de kade keken met ingehouden adem toe tot de vurige zeilen van het spookschip aan de kim verdwenen. Bezorgd keerden ze huiswaarts, terwijl ze zich afvroegen hoe het avontuur voor de opvarenden van de Oost-Indiëvaarder zou aflopen. Boven hun hoofden beierden de Paasklokken...

Het wonderlijke spookschip legde in geen enkele haven van Oost-Indië aan. Het keerde ook niet terug naar een Nederlandse haven. De achtergebleven vrouwen en verloofden kregen geen brieven van de opvarenden en de rederij ontving geen bericht van aankomst ergens ter wereld. Zo moest men na verloop van tijd dus wel aannemen dat het schip van de roekeloze kapitein met man en muis vergaan was. Maar vreemd genoeg spoelden er nergens wrakstukken aan. De mensen in het vaderland vergaten het gebeurde en dachten niet meer aan het spookschip. Alleen een enkele moeder bad 's avonds voor het slapengaan nog steeds om de terugkeer van haar zoon en een aantal achtergebleven vrouwen blééf hopen op een veilige thuisreis van haar man.

De maanden werden jaren en het was alsof de tijd de herinnering aan het spookschip had opgeslokt.

En toen gebeurde er iets merkwaardigs. Op een dag koerste een volgeladen vrachtvaarder uit de Oost terug naar het vaderland. Voortgedreven door een stevige oostenwind voer het schip op één zeil langs Kaap de Goede Hoop. Plotseling liet de matroos die op de uitkijk stond een kreet van verbazing horen. Hij wreef zijn ogen uit en vroeg zich af of hij misschien droomde. Daar zag hij me vlakbij aan bakboord ineens een schip achter een golf te voorschijn schieten. En geen gewoon schip! De zeilen waren vuurrood en stonden bol tégen de wind in. Stel je dat eens voor: een schip dat tegen de wind in zeilde alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was. De matroos slaakte nogmaals een kreet van schrik en van alle kanten kwamen zijn maats toesnellen. Ze staarden allemaal met open mond naar het merkwaardigste schip dat ze ooit langs hadden zien jagen. Ze zagen de vurige zeilen die tegen de wind in bolden, de zwartgeblakerde romp en masten, het doodstille voor- en achterdek... Die stilte was nog het vreemdst van alles. Er zat geen uitkijkpost in het kraaiennest; er klommen geen snelle matrozenvoeten in het want en op de brug stond geen bevelende kapitein. Het enige dat in de nabijheid van het schip bewoog, was een zwarte vogel die rond de mast cirkelde.

"Een spookschip!" riep een van de mannen ontzet. "Haal de kapitein!" De bootsman ging naar de hut van de schipper, maar voor de twee mannen aan dek waren, was het merkwaardige schip even snel weer uit het gezicht verdwenen als het was opgedoken.

De kapitein lachte zijn matrozen uit. "Een spookschip?" zei hij smalend. "Jullie hebben waarschijnlijk last van een zonnesteek. Spookschepen bestáán helemaal niet!" En hij beval zijn bemanning onmiddellijk weer aan het werk te gaan en niet meer over het zogenaamde spookschip te spreken. Maar hij kon niet voorkomen dat verschillende matrozen zwijgend voor zich uit bleven staren en af en toe het hoofd schudden. Ze hadden het toch met hun eigen ogen gezien: een schip dat tégen de wind in voer met vurige zeilen en een zwartgeblakerde romp!

Steeds meer berichten over een ronddolend spookschip bereikten het vaderland. Een heleboel mensen geloofden de berichten en anderen haalden er de schouders over op. Een schip dat tegen de wind in voer met gebolde zeilen! Een schip waarop geen matrozen in het want bewogen en geen schipper op de brug stond! Een schip met bloedrode zeilen! Kom nou! En iedereen had het zogenaamd gezien in de buurt van Kaap de Goede Hoop! Het moest dus wel een fabeltje zijn.

Maar de rederijen kregen steeds meer moeite om matrozen voor hun schepen aan te monsteren. En steeds meer kapiteins zeiden: "Ik vaar liever niet rond Kaap de Goede Hoop." Want het verhaal deed de ronde, dat het spookschip dood en verderf verspreidde, dat ieder die het zag een gruwelijke ziekte onder de leden kreeg, zodat een vooruitstrevende Compagnie zijn beste kapitein uitzond om de zaak van het spookschip te onderzoeken. Er moest maar eens een eind komen aan de geruchten over dat gekke, ronddolende vaartuig met vuurrode zeilen en zwartgeblakerde romp, dat altijd in de buurt van Kaap de Goede Hoop werd waargenomen! Er moest maar eens een eind komen aan de overdreven angst van matrozen voor een schip dat natuurlijk helemaal niet bestond!

Maar de beste kapitein van de ondernemende Compagnie zag het met eigen ogen: zodra hij Kaap de Goede Hoop rondde, werd zijn koers bijna gekruist door een plotseling opdoemende tegenligger met vuurrode zeilen en een zwartgeblakerde romp. De onverschrokken schipper rende niet angstig naar zijn hut en werd niet wanhopig. Hij bleef verstandig en zei: "Dit kán niet!" Waarna hij alle hens aan dek riep en een toespraak hield. "Mannen," zei hij, naar het voortjagende spookschip wijzend, "wat we daar voor ons zien, moet een zinsbegoocheling zijn. Op dat vreemde schip zijn geen mensen en toch zijn de zeilen gehesen en vaart het recht tegen de wind in. Hiervoor kan niemand een verklaring geven."

Terwijl hij sprak, gebeurde er iets angstaanjagends. Het spookschip wendde zijn steven en voer in volle vaart recht op de schoener van de dappere kapitein af. De matrozen schreeuwden het uit. "Pas op! We worden overvaren!" Maar het was al te laat. Zonder vaart te minderen, schoot het spookschip naderbij. Op de voorplecht zagen ze nu duidelijk de gestalte van een man met wapperende witte haren, maar verder bewoog er niets aan hem. En op het dek lagen kris kras door elkaar matrozen roerloos tegen de mast en de reling. "Stop dan toch!" riepen de angstige mannen van de schoener. Het spookschip stoorde zich niet aan hun wanhoopskreet, zweefde voort over de golven en... voer dwars door de schoener heen! Geen schok of trilling werd aan boord van de schoener gevoeld; alleen een ijskoude windvlaag...

Het duurde geruime tijd voor de bemanning van de schoener weer durfde spreken.

"Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt," zei de bootsman tenslotte met schorre stem. "Ik denk dat ik oud word." Maar ze hadden het allemaal met eigen ogen.gezien: de zwartgeblakerde romp en mast, de vuurrode zeilen, de roerloze schipper op de voorplecht. Ze hadden allemaal de ijskoude bries gevoeld op het moment dat het spookschip dwars door de schoener heenvoer.

"Het was een Hollander," mompelde de kapitein bleekjes. "Hij voerde de Hollandse vlag!"

"De Vliegende Hollander," zei iemand. En die naam ging van mond tot mond. Straks, thuis, zouden ze trots vertellen dat ze de Vliegende Hollander bijna aangeraakt hadden.

Weer verstreken er jaren. Oude schepen maakten hun laatste reis en nieuwe gingen onder feestgedruis voor het eerst te water. Alleen de Vliegende Hollander joeg eindeloos voort over de golven rond Kaap de Goede Hoop. De roekeloze kapitein had het tientallen jaren geleden over zichzelf en zijn bemanning uitgeroepen: "Al zou ik tot in eeuwigheid moeten doorvaren."

Misschien komt eens het moment van rust voor het ronddolende spookschip. Misschien is dat moment zelfs al aangebroken. De laatste tijd heeft niemand De Vliegende Hollander meer gezien en het is dus mogelijk, dat de hovaardige kapitein eindelijk tot inkeer is gekomen. Laten we het voor hem en zijn bemanning hopen, want er bestaat geen groter straf van de hemel dan eeuwig voort te moeten jagen over de oeverloze zeeën en oceanen zonder ooit ergens te mogen aanleggen.

 

NL 005 Klein Duimpje

 

Oorspronkelijke titel: Le Petit Poucet

Herkomst: Frankrijk
Verteltijd: ca. 23 min.
Leeftijd: vanaf 8 jaar

 

Lang geleden leefde er eens een houthakker die een vrouw had en zeven zonen. De houthakker werkte elke dag zo hard hij kon in het bos, maar helaas, hij slaagde er bijna nooit in zoveel te verdienen dat hij zichzelf en zijn gezin genoeg te eten kon geven. Vooral voor het jongste zoontje was dat heel erg, want die was toch al klein en zwak. Je zult het misschien niet geloven, maar toen hij werd geboren, was hij maar net zo groot als de duim van zijn vader. Daarom werd hij ook Klein Duimpje genoemd. 

In het jaar waarin dit verhaal begint, heerste er hongersnood in het land. Het eten werd steeds duurder en tenslotte kon de houthakker het helemaal niet meer betalen. Toen er geen kruimeltje eten meer was in het hele huis zei de houthakker op zekere avond, toen de kinderen al in bed lagen, tegen zijn vrouw: "Vrouw, ik kan het niet langer aanzien dat onze kinderen doodgaan van de honger. Daarom neem ik ze morgen mee naar het bos om hout te sprokkelen en dan laat ik ze daar achter; hier weten we zeker dat ze doodgaan, maar in het bos komen ze misschien iemand tegen die ze kan helpen." 

De vrouw vond het een verschrikkelijk plan. Ze wist wel bijna zeker dat de kinderen in het bos niemand zouden vinden die hun hulp zou bieden. Daarom doorzocht ze nog een keer het hele huis of er iets eetbaars te vinden was, maar toen ze niets vond, moest zij de vader wel gelijk geven: als de kinderen thuisbleven, zouden zij zeker sterven. Ze konden dus maar beter het bos ingaan. 

Klein Duimpje had alles gehoord wat zij zeiden, want hij had zich onder de stoel van zijn vader verstopt. Toen zijn ouders gingen slapen, ging hij ook naar bed, maar hij deed de hele nacht geen oog dicht. Hij moest er steeds maar aan denken dat hij en zijn broers de volgende dag alleen in het bos zouden worden achtergelaten. Na een tijdje had hij een goed plannetje bedacht. Hij was dan wel klein, maar hij was ook heel slim! Nog voordat de zon was opgegaan, sloop Klein Duimpje het huis uit. Hij ging naar de beek die vlak bij hun huisje stroomde en daar verzamelde hij een heleboel kiezelsteentjes, waarmee hij zijn zakken volpropte. Daarna ging hij terug naar huis. 

Zoals de houthakker al had gezegd, nam hij de kinderen die dag allemaal mee naar het woud om hout te sprokkelen. Ook zijn vrouw ging mee en terwijl de kinderen ijverig bezig waren zoveel mogelijk hout te verzamelen, gingen zij en haar man heel stilletjes een zijpaadje in. De houthakker wist goed de weg in het bos en het kostte hem weinig moeite om met zijn vrouw de weg terug te vinden. Maar toen de kinderen hun ouders niet meer zagen, begonnen zij te huilen. Allemaal, behalve Klein Duimpje, want die had op de heenweg steeds een kiezelsteentje laten vallen. Hij zei tegen zijn broers dat zij niet meer hoefden te huilen, omdat hij ze wel veilig naar huis zou brengen. En dat deed hij, door heel eenvoudig het spoor van de witte kiezelsteentjes te volgen. Bij hun huis aangekomen, durfden zij niet naar binnen te gaan, omdat Klein Duimpje had verteld, dat hun ouders hen niet meer wilden hebben. Voorzichtig luisterden zij aan een raam. 

Nu moet je weten dat er inmiddels heel wat was gebeurd. Bij hun thuiskomst hadden de houthakker en zijn vrouw een zakje met geld op tafel gevonden. Dat was daar neergelegd door iemand uit het dorp, die wist dat zij geen eten meer hadden. De vrouw was onmiddellijk naar de slager gegaan en voor het eerst sinds dagen hadden zij en haar man naar hartelust gegeten. Toch was zij erg verdrietig. "O, lieve man," hoorden de kinderen haar zeggen, "kijk nu eens, we hebben nu zelfs nog eten over. Maar wij hebben onze kinderen in het bos achtergelaten en wij zullen ze nooit meer kunnen vinden om hen in ons geluk te laten delen. Zie je nu wel, dat het verkeerd van ons was, de kinderen niet bij ons te houden?" 

En toen jubelden de kinderen het uit. "Moeder, hier zijn wij!" riepen zij. "Doe maar gauw open!" 

De moeder wist niet hoe vlug ze de deur open moest doen en toen haar zeven zonen binnenkwamen, riep zij: "O, lieve kinderen, wat ben ik blij dat ik jullie weer zie. Ga gauw zitten. Er is zo veel te eten als je maar wilt!" Ook de houthakker was dolgelukkig en nadat hij zijn kinderen had omhelsd, gingen zij allemaal aan tafel. De kinderen aten als nooit tevoren en hun ouders aten voor de gezelligheid nog wat mee. 

Helaas! Hun geluk duurde niet langer dan een week. Toen was het geld op en sloop de honger opnieuw het huis binnen. De vader probeerde tevergeefs zijn hout te verkopen en de moeder ging zelfs in de stad bedelen om voedsel. Het hielp allemaal niet en na twee dagen bijna niets te hebben gegeten, moesten de houthakker en zijn vrouw opnieuw besluiten om hun kinderen naar het bos te brengen en hen daar achter te laten. Maar net als de vorige keer luisterde Klein Duimpje mee toen zij dat akelige besluit namen. Daarom stond hij de volgende morgen weer heel vroeg op om, net als de vorige keer, kiezelsteentjes bij de beek te halen. Hij sloop naar de voordeur, duwde de klink omlaag en... de deur ging niet open! Hij zat op slot en wat Klein Duimpje ook probeerde, de deur was en bleef dicht. Klein Duimpje dacht dat hij en zijn broers nu werkelijk verloren waren en hij ging moedeloos weer naar bed. 

De volgende morgen verdeelde de moeder de allerlaatste korst brood die zij nog had. Zijzelf en haar man namen niets en de kinderen kregen elk natuurlijk maar een heel klein stukje. Klein Duimpje had vreselijke honger en wilde zijn stukje brood eigenlijk het liefst meteen opeten. Maar hij deed alleen net alsof hij het opat en stopte het brood stiekem in zijn zak. Hij had een idee gekregen! 

De houthakker en zijn vrouw gingen met hun kinderen die dag heel ver het bos in. Toen de kinderen druk bezig waren dood hout te zoeken, slopen hun ouders weg en gingen huilend naar huis. De slimme Klein Duimpje had ze weg zien gaan, maar hij maakte zich helemaal geen zorgen, omdat hij onderweg broodkruimels op de grond had laten vallen. Hij dacht dat hij alleen maar hun spoor hoefde te volgen om weer veilig thuis te komen. Maar dat was niet zo, want toen Klein Duimpje met zijn broers terug wilde gaan, kon hij geen enkele broodkruimel meer vinden. De vogels hadden alles opgegeten. 

Natuurlijk probeerden de jongens toch de weg naar huis te vinden. Uren en uren zochten zij naar bekende plekjes, maar zij vonden er niet één. Het werd steeds later en de kinderen werden steeds banger, omdat het al donker werd en zij de wolven hoorden huilen. Toen het echt helemaal donker was, klom Klein Duimpje in een hoge boom om te zien of hij misschien ergens een lichtje zag branden. En ja hoor! Heel in de verte zag hij een flauw schijnsel! Daar moest dus een huis zijn. Vlug liet Klein Duimpje zich uit de boom zakken en met nieuwe moed liepen hij en zijn broers in de richting van het licht. 

Na een uur lopen kwamen zij bij een huis. Klein Duimpje klopte op de deur en een vrouw deed open. Klein Duimpje vertelde dat zij verdwaald waren en vroeg of zij die nacht in haar huis mochten slapen. Maar de vrouw schudde haar hoofd. "Van mij zou het wel mogen," zei zij, "maar het zou vreselijk dom van jullie zijn. Dit huis is van een reus, die alle kinderen opeet die hij maar kan vinden. Daarom kunnen jullie beter zover mogelijk hier vandaan gaan." 

"Maar mevrouw," zei Klein Duimpje, "als wij teruggaan in het bos worden we zeker door de wolven verscheurd. Want in het bos kunnen wij ons niet verstoppen en wolven hebben geen medelijden. Maar als de reus ziet hoe moe en hongerig wij zijn, spaart hij ons misschien." De vrouw dacht even na. Toen zei zij: "De reus zal net zomin medelijden met jullie hebben als de wolven. Maar ik kan wel proberen jullie te verstoppen, en dus kun je beter hier zijn dan in het bos. Kom maar binnen." 

Zij gaf de kinderen eerst nog wat te eten en toen verstopte zij ze onder het bed. Net op tijd! Er werd hard op de deur gebonsd en de reus dreunde naar binnen: "Ik ruik vers vlees!" bulderde hij meteen. "Heb je kinderen voor me?" 

"Nee," zei de vrouw, "ik denk dat je het schaap ruikt dat ik aan het spit aan het braden ben." 

"Wat?!" schreeuwde de reus, denk je dat ik het verschil niet ruik tussen gebraden schapenvlees en vers kindervlees?" Hij stond op en liep recht op het bed af, waar hij de kinderen een voor een onderuit trok. "Zo, dus jij dacht mij voor de gek te kunnen houden!" zei de reus kwaad tegen zijn vrouw. "Kinderen verstoppen en dan zeggen dat ik schapenvlees ruik! Voor straf zou ik jou moeten opeten, maar je bent me te mager en ik heb je nodig om voor me te koken. Over een paar dagen krijg ik een paar reuzenvrienden op bezoek en dan moet je deze kinderen voor ons klaar maken. En denk eraan dat je je best doet, anders eet ik je toch nog op!" 

De kinderen vielen voor de reus op hun knieën en smeekten om genade. Maar de reus was heel erg gemeen. "Hou op met jullie gejammer," snauwde hij. "Vooruit, ga naar bed, maar eerst moeten jullie eten, anders smaken jullie niet lekker genoeg. Vooruit, vrouw, geef die kinderen een heleboel pap en een stuk vlees van dat schaap. Zorg ervoor dat ze flink eten!" Het was wel droevig! Nu kregen de kinderen eindelijk weer eens genoeg te eten - lekkere pap en heerlijk vlees - en nu konden zij van angst bijna geen hap door hun keel krijgen. Toen ze eindelijk dan toch wel genoeg hadden gegeten naar de zin van de reus, bracht de vrouw hen naar hun slaapkamer. 

In die kamer sliepen ook de zeven dochters van de reus. Dat waren zeven heel lelijke meisjes met spitsneuzen, bruine, lange tanden en piekharen. Met kroontjes op hun hoofd lagen zij in bed en ze sliepen allemaal al. Zo kwam het dat zij van Klein Duimpje en zijn broers nog niets gehoord of gezien hadden. Het waren echte slaapkoppen. Ze werden zelfs niet wakker toen de vrouw voor de jongens aan de andere kant van de kamer zeven bedjes opmaakte. Die nacht kon Klein Duimpje weer niet slapen. Hij was bang dat de reus die nacht toch nog kindervlees zou willen eten en dat hij hem en zijn broers dan zou doodmaken en opeten. Van zijn linker- ging Klein Duimpje op zijn rechterzij liggen en weer terug. Hij woelde en woelde - totdat hij plotseling een idee kreeg. Hij klauterde zijn bed uit, sloop naar de bedden aan de overkant en pakte van de hoofden van de meisjes alle kroontjes af. Hij zette die voorzichtig op de hoofden van zijn broers en op zijn eigen hoofd. En nu kon hij eindelijk slapen. 

En weet je wat er gebeurde? Precies wat Klein Duimpje had gedacht. Midden in de nacht werd de reus wakker van de honger. Hij pakte zijn grote mes, liep zachtjes naar de slaapkamer van de kinderen en sloop naar de kant waar de jongens lagen. Hij durfde geen licht te maken, maar hij voelde met zijn hand over hun hoofden. Zo merkte hij dat zij kroontjes op hadden en natuurlijk dacht hij toen, dat zijn dochters daar lagen te slapen. "Aha!" dacht hij, "ze liggen dus aan de andere kant." Heel zachtjes ging hij naar de bedden van de meisjes en voor alle zekerheid streek hij daar ook nog eens over de hoofden. Nu voelde hij alleen slaapmutsen. "Ha!" dacht hij. "Nu heb ik ze!" Zonder verder te aarzelen, stak hij al zijn dochters dood en at ze op. 


Hoe stil de reus dat ook allemaal had gedaan, Klein Duimpje was toch wakker geworden. Misschien wel door het smakken van de reus. Hij wachtte totdat hij de reus weer hoorde snurken in zijn slaap en maakte toen zijn broers wakker. Hij zei dat zij met hem mee moesten gaan maar geen geluid mochten maken. Onhoorbaar slopen zij naar een openstaand raam en sprongen naar buiten. Daarna renden zij zo hard zij konden het bos in en zij holden de hele nacht door. 

De volgende ochtend ging de vrouw van de reus haar dochters wakker maken. Bij hun bedjes gekomen, zag zij meteen wat er was gebeurd en zij schrok zo verschrikkelijk dat zij flauwviel. De reus, die vond dat zijn vrouw wel erg lang wegbleef, ging na een tijdje kijken wat zij aan het doen was. Ook hij schrok vreselijk, want nu pas begreep hij dat hij zijn eigen dochters had opgegeten. Hij brulde van spijt en woede. "Het is de schuld van die kwajongens!" schreeuwde hij. "Zij hebben de kroontjes verwisseld! Dat zal ik ze betaald zetten!" Zonder verder naar zijn vrouw om te kijken, holde hij weg en haalde zijn laarzen. Met één stap van zo'n laars kon hij een afstand van zeven mijl afleggen. Daarom heetten zij zevenmijlslaarzen. Hij trok ze snel aan en even later dreunde hij al door het bos. De reus had zo'n geweldige goede speurneus dat hij kon ruiken waar de jongens waren. Hij liep dus meteen de goede kant op en haalde ze vlug in. 

De kinderen hoorden de reus al van verre aankomen en nauwelijks hadden ze hem gehoord of hij was al vlakbij. Doodsbenauwd verstopten zij zich achter een grote rots. Nu moet je weten datje in zevenmijlslaarzen wel enorm hard kunt lopen, maar dat je er ook verschrikkelijk moe van wordt. En net toen de reus bij die rots was, voelde hij zich zo moe, dat hij even op de rots ging zitten en prompt in slaap viel. Intussen had Klein Duimpje achter de rots gemerkt, dat hij en zijn broers 's nachts toevallig in de richting van hun huisje waren gelopen. Daarom zei hij nu tegen de andere jongens, dat zij gauw verder naar huis moesten gaan, maar dat hijzelf eerst nog iets anders wilde doen. 

Zodra zijn broers weg waren, liep Klein Duimpje op zijn tenen naar de reus en trok hem heel voorzichtig zijn laarzen uit. Hij deed ze aan zijn eigen voeten en omdat het toverlaarzen waren, pasten ze hem precies. Met geweldige sprongen - van zeven mijlen - ging Klein Duimpje nu terug naar het huis van de reus. Hij klopte aan en de vrouw van de reus deed open. Zij had erg veel verdriet, omdat haar dochters dood waren, maar zij had niet begrepen dat dat eigenlijk de schuld van Klein Duimpje was. 

Klein Duimpje vertelde haar, dat de reus gevangen was door rovers en dat die hem pas weer vrij zouden laten als Klein Duimpje hun al het geld en goud van de reus had gebracht. De vrouw schrok daar heel erg van en zij gaf Klein Duimpje vlug de sleutel van de schatkamer. Klein Duimpje haalde daar al het goud uit dat hij kon dragen. Hij stopte nog een heleboel in zijn laarzen en ging toen met een reuzenvaart naar huis. Je kunt begrijpen dat hij daar vol vreugde door zijn ouders en zijn broers werd ontvangen. En zij leefden allemaal lang en gelukkig - zonder ooit nog één dag honger te hebben